Basisonderwijs  
School aan zet
Rondetafelbijeenkomsten onderwijsgangmakers

M_foto ronde tafel Op 31 januari 2008 organiseerde het Projectbureau Kwaliteit twee rondetafel-bijeenkomsten over de Kwaliteitsagenda Scholen voor morgen.
In de ochtend werd van gedachten gewisseld met schoolleiders, leraren en interne begeleiders. De middagsessie werd gesproken met bovenschoolse managers en bestuurders en met coördinatoren van samenwerkingsverbanden.

Centraal in beide bijeenkomsten stond de vraag op welke manier de thema’s uit de kwaliteitsagenda Scholen voor morgen worden ondersteund, zodanig dat de prestaties op het gebied van met name taal/lezen en rekenen verbeteren.

Hieronder kunt u het verslag met de opbrengsten downloaden.
Of direct de samenvatting en de opbrengsten lezen.
Verslag rondetafelbijeenkomsten gangmakers [MS-Word 108 Kb ]

Samenvatting
Scholen voor Morgen
Er is instemming met de focus van de kwaliteitsagenda.

Leraren
- De kwaliteit van het taal-/lees- en rekenonderwijs kan alleen omhoog als er wordt geïnvesteerd in de kwaliteit, opleiding, positie en imago van de leraar.

- Vakmanschap begint in de opleidingen en moet gedurende de hele loopbaan worden onderhouden:
o   pabo’s kunnen het vakmanschap van beginnende leraren vergroten als er meer aandacht is voor de vakinhoud en de vakdidactiek
o   de samenwerking tussen basisschool en pabo kan beter
o   de diversiteit binnen de instroom van de pabo is een risico
o   er moeten hoge eisen gesteld worden door besturen en scholen aan het niveau van de uitstroom van de pabo en daarmee aan de instroom van startende leraren.

- Er ontbreekt bij veel leraren fundamentele kennis op het gebied van vakinhoud en vakdidactiek. Dat vraagt vergroting van het vakmanschap.

- Er zijn voorbeelden van aanpakken waarbij via gerichte professionalisering en ondersteuning in het primair proces snel resultaatverbetering bij leerlingen oplevert.

- Investeren in het vakmanschap van leraren gaat niet vanzelf. Er moet voldaan worden aan een aantal randvoorwaarden:
o   Zorg als bestuur en als schoolleider voor een heldere focus en houdt die vast gedurende een aantal jaren
o   Zorg voor voldoende veiligheid
o   Zorg voor draagvlak en eigenaarschap in het team
o   Zorg voor voldoende faciliteiten zoals tijd en middelen
o   Zorg voor goed onderwijskundig leiderschap als bestuur en schoolleiding

- Investeer in gereedschap en ondersteuning:
o   Verzamelen, verspreiden en implementeren van methodieken waarvan bekend is dat ze succesvol zijn
o   Investeer in nieuwe methodieken op gebieden waar weinig of niets is
o   Zorg voor bruikbare instrumenten voor datafeedback
o   de ondersteuning moet goed zijn en met name gericht op het werk in de klas. Dat vraagt om een investering in de educatieve infrastructuur
o   Leraren en scholen uit hun isolement worden gehaald. Hier ligt een rol voor vormen van leren van en met elkaar en van en met experts

Schoolleiders
De schoolleider heeft een belangrijke rol. Hij/zij moet:
- goed op de hoogte zijn van actuele ontwikkelingen in het beleid
- kennis hebben op het gebied van schoolontwikkeling
- onderwijskundig leiderschap tonen
- veranderdruk creëren in het team

Dit is niet per definitie aanwezig bij iedere schoolleider. Investeren in management dient daarom veel aandacht te krijgen.

Bestuurders
- Ook bestuurders en bovenschoolse managers hebben een belangrijke rol. Hij/ zij moet:
o   goed op de hoogte zijn van actuele beleidsontwikkelingen
o   goed zicht moeten hebben op de kwaliteit van hun scholen, via vormen van zelfevaluatie, visitatie en extern toezicht
o   (meetbare) afspraken op het gebied van leerprestaties maken met hun scholen
o   de kwaliteit van het onderwijs duurzaam verankeren in het eigen beleid, de eigen organisatie en de basisfinanciering
o   uitgaan van het principe van erkende ongelijkheid, niet al hun scholen zijn hetzelfde, hebben te maken met dezelfde context en kunnen hetzelfde bereiken.

- Bestuurders en bovenschoolse managers ruimte moeten krijgen van de overheid om hun rol goed in te vullen. De overheid moet kaders stellen, het ‘wat’ definiëren. De bestuurders zijn verantwoordelijk voor het ‘hoe’.

- Voorwaarden voor goed bestuur zijn:
o   voldoende schaalgrootte
o   kwaliteitsnormen voor bestuurders 

Inspectie
- De inspectie moet scholen niet in een keurslijf dwingen
- De inspectie is een positief drukmiddel om te veranderen.

OCW
OCW moet:
- definiëren wat de kwaliteit van het onderwijs moet zijn (het ‘wat’). De vraag naar het ‘hoe’ is een zaak van de sector
- de focus vasthouden, denken in termen van duurzaamheid en continuïteit, voorkomen dat opnieuw overladenheid van vernieuwingsthema’s ontstaat en zorgen voor samenhang in het beleid
- de agenda niet als iets nieuws presenteren, maar voortbouwen op wat er is
- de overheid moet zorg dragen voor een passende financiering
- de overheid moet de ondergrens bewaken.

PK!
Het PK! heeft een belangrijke rol in:
- de communicatie naar leraren, schoolleiders en bestuurders, in het ontwikkelen van een collectieve agenda voor het primair onderwijs gebaseerd op Scholen voor Morgen.
- Kennis verzamelen, ontsluiten en verspreiden van kennis gericht op het onderwijsleerproces in de klas. Het accent moet liggen op het verzamelen en trechteren van wat er al is en waarvan we weten dat het werkt.
- Makelen en schakelen tussen de experts en de besturen (in een regio), zodat de onderwijspraktijk met erkende expertise in contact wordt gebracht.
- Scholen uit hun isolement halen.

Opbrengsten rondetafelbijeenkomsten

Hieronder wordt verslag gedaan van de opbrengsten van beide bijeenkomsten. Daarbij zijn de opbrengsten van de bijeenkomsten geordend langs een aantal thema’s. Per thema zijn de opvattingen en ideeën van alle deelnemers samengevoegd.


Continuïteit, focus en samenhang
Leraren
Schoolleiders
Bestuurders
Ouders
Inspectie
OCW
Projectbureau Kwaliteit! (PK!)

Continuïteit, focus en samenhang
Instemming met de focus
Over het WAT van de kwaliteitsagenda is weinig discussie. De deelnemers aan de bijeenkomsten onderschrijven het accent op het verbeteren van de prestaties voor taal/lezen en rekenen. Het maatschappelijk belang van de basisvaardigheden is groot. Het is een opdracht voor het onderwijs die ambitie waar te maken. Ook de keuze om in te zoomen op de kwaliteit van het primair proces, de leraar en het zichtbaar maken van kwaliteit wordt onderschreven.

Overladenheid van en samenhang in beleid
Opgemerkt wordt dat er sprake is van een accentverschuiving. De afgelopen jaren heeft het accent niet gelegen op de basisvaardigheden, maar op voorwaardelijke aspecten, zoals het versterken van de zelfstandigheid van leerlingen. Er is de laatste jaren veel op het onderwijs afgekomen. Met name de bestuurders en bovenschoolse managers geven aan dat het onderwijs last heeft gehad van de politieke waan van de dag. Dit leidt tot fragmentatie en tot korte termijn beleid. Het beeld is dat veel mensen in het onderwijs genoeg hebben van het gebrek aan continuïteit en duurzaamheid. Er is meer en meer een tegenbeweging zichtbaar. Besturen en scholen gaan remmen en pakken niet alles meer op; ze selecteren en focussen. In die zin is een langdurige focus zoals geformuleerd in Scholen voor Morgen een goede keuze. De overheid moet deze focus echter wel houden en niet de komende periode gaan stapelen. Ook zal de overheid zorg moeten dragen voor een goede afstemming van beleid. Lerarenbeleid, Passend Onderwijs, de uitwerking van de leerlijnen, etc. moeten elkaar zeker niet tegenwerken, maar juist versterken. Dat vraagt van de overheid een doordachte beleidscocktail. Hier ligt een belangrijke taak voor OCW.

Rol voor bestuurders en schoolleiders
De deelnemers geven aan dat niet alleen de overheid de focus moet houden, maar dat ook bestuurders, schoolleiders en leraren moeten zorgen voor een duidelijke meerjarige gerichtheid. Een school moet een heldere visie formuleren en duidelijk maken op welke wijze de school gericht werkt aan het verbeteren en borgen van prestaties op de basisvaardigheden. Zo’n aanpak moet gedurende een periode van een aantal jaren worden volgehouden.

Niet iets nieuws
Tot slot wordt opgemerkt dat een nieuwe focus het gevaar in zich heeft dat wordt afgebroken wat eerder was opgebouwd. Gewezen werd - ter illustratie - op het achterstandenbeleid en het tijdelijke karakter van een aantal maatregelen op dat gebied, zoals het Onderwijskansenbeleid; het veranderen van inhoudelijke accenten en geldstromen in beleid heeft consequenties voor de manier waarop besturen en scholen hun achterstandenbeleid opnieuw moeten inrichten. Zaken die in het verleden opgezet zijn en bekostigd konden worden, moeten nu worden geschrapt. Dat werkt contraproductief.

Het is de kunst om voort te bouwen op wat er is gedaan in scholen. In de communicatie moet Scholen voor Morgen dan ook niet als iets nieuws worden gepresenteerd. Er moet juist gekozen worden voor een uitleg waarbij duidelijk wordt gemaakt dat er wordt voortgebouwd op wat er al gebeurt in het onderwijs. Het beeld van steeds maar vernieuwen en steeds maar anders moet niet aan de kwaliteitsagenda gaan kleven. Dan haken scholen af.

Leraren
Tijdens beide sessies is uitgebreid gesproken over de rol van de leraar. Er is een grote mate van overeenstemming over het belang van de leraar. De kwaliteit van het taal-/lees- en rekenonderwijs kan alleen maar omhoog als er wordt geïnvesteerd in de kwaliteit, opleiding, positie en imago van de leraar. Dat geldt zowel voor nieuwe als voor zittende leraren.

Nieuwe leraren
De kwaliteit van de leraar is een belangrijke voorwaarde voor de kwaliteit van het onderwijs. Vakmanschap begint in de opleidingen en moet gedurende de hele loopbaan worden onderhouden. Tijdens de rondetafel bijenkomsten is met name door leraren, interne begeleiders en schoolleiders gewezen op het belang van een goede opleiding en van een goede relatie tussen de basisschool en de pabo.

Er zijn verschillende suggesties gedaan om de rol van de opleidingen basisonderwijs te versterken:

- Opgemerkt is dat pabo’s winst kunnen halen, dat wil zeggen het vakmanschap van beginnende leraren kunnen vergroten als er meer aandacht besteed zou worden aan de vakinhoud en de vakdidactiek. Zaken als instructiegedrag en klassenmanagement, tussendoelen en leerlijnen, etc. krijgen volgens de gespreksdeelnemers niet altijd genoeg aandacht, waardoor studenten met te weinig bagage van de pabo afkomen.

- Naast het curriculum van de opleiding kan ook de samenwerking tussen basisschool en pabo beter. Studenten moeten een volwaardige en duidelijke rol in de school krijgen, zodat ze kunnen leren op de werkplek. Dat vraagt om heldere afspraken over de inzet van studenten, om goede begeleiding op de werkvloer door een mentor en om een goede afstemming tussen wat studenten leren op de basisschool en wat ze leren op de pabo. Er zijn door de deelnemers voorbeelden genoemd van de manier waarop die samenwerking in de praktijk versterkt kan worden:
o      De basisschool kan studenten intensief betrekken bij projecten en processen op school. De samenwerking levert meer op voor de basisschool en voor de pabo/student door bijvoorbeeld te werken met een concrete ontwikkelopdracht die de basisschool formuleert en aan de student gericht is.

- Basisscholen benutten studenten vaak nog te weinig:
o      Vaak leert de praktijk dat een student ‘er niet alleen maar bijkomt en extra werk oplevert’. Studenten die bijvoorbeeld worden ingezet om meer handen in de klas te krijgen, gericht zijn op het geven van extra instructie aan groepjes leerlingen etc., verlichten niet alleen het werk van de leraar maar vergroten ook hun handelingsbekwaamheid.
o      De innovatieve, frisse kracht van een pabo-student wordt door basisscholen niet altijd op waarde geschat. Vaak is dat elan na een korte periode verdwenen, omdat een student (of pas afgestudeerde leraar) zich min of meer moet conformeren aan de heersende mores op een school.

- Tot slot is er gewezen op de instroom van de pabo. Bij sommige deelnemers aan de bijeenkomsten bestaat het beeld dat met name de instroom van mbo’ers de kwaliteit van de pabo geen goed doet. Deze opvatting werd niet door alle deelnemers onderschreven, maar wel werd vastgesteld dat de diversiteit van instroom extra aandacht vraag voor de opleiding van nieuwe leraren van zowel pabo als basisschool. Het is zaak dat er hoge eisen gesteld wordt door besturen en scholen aan het niveau van de uitstroom van de pabo en daarmee aan de instroom van startende leraren.

Zittende leraren

Vakmanschap
Investeren in vakmanschap van de leraar is de basis voor goed onderwijs. Dat is nodig omdat in de ogen van de deelnemers, er fundamentele kennis ontbreekt bij leraren op het gebied van vakinhoud en vakdidactiek. Daardoor wordt een leraar te gemakkelijk ‘slaaf van de methode’. De methode wordt een keurslijf en de leraar komt niet verder dan iedere dag het voorgeschreven lesje afdraaien. Het is zaak dat de leraar voldoende kennis in huis heeft van taal-/lees- en rekenonderwijs om als het ware boven de methode te staan. Op die manier kan de leraar gefundeerd keuzes maken in de leerstof en in de didactische aanpak die past bij haar of zijn klas. De ervaring is dat door leraren gericht te professionaliseren op het gebied van leerlijnen en te ondersteunen in de dagelijkse praktijk op het gebied van instructie en klassenmanagement, dit snel tot resultaatverbetering bij leerlingen leidt. Noodzaak is wel dat de ondersteuning en professionalisering ‘morgen’ bruikbaar is. Leraren moeten concreet kunnen zien en ervaren hoe ze moeten werken. Romantische verhalen over een wereld die ver weg is, werken niet. In dit kader werd gewezen op voorbeelden van leesinterventieprojecten zoals LISBO en LIN. Daarin wordt voldaan aan die concrete vorm van ondersteuning.

Randvoorwaarden
Investeren in het vakmanschap van leraren gaat niet vanzelf. Er moet voldaan worden aan een aantal randvoorwaarden. De deelnemers aan de bijeenkomsten hebben de volgende randvoorwaarden genoemd:

- Zorg als bestuur en als schoolleider voor een heldere focus. Maak een keuze, bijvoorbeeld voor het verbeteren van het technisch lezen, houdt dat een aantal jaren vol en investeer daar in. Dit geeft duidelijkheid en rust.

- Zorg voor voldoende veiligheid. Veranderen van instructiegedrag, aanleveren van nieuwe vormen van instructie en klassenmanagement is niet eenvoudig. Leraren moeten kunnen leren in een relatief veilige en duurzame omgeving.

- Zorg voor draagvlak en eigenaarschap in het team. Het is niet goed om professionalisering individueel in te richten. Het vergroten van het vakmanschap is per definitie gericht op het hele team en dat vraagt draagvlak en eigenaarschap.

- Zorg voor voldoende faciliteiten zoals tijd en middelen. Tijd is nodig voor leraren om los te komen van de dagelijkse drukte. Leren vraagt om oefenen en reflectie en dat vraagt tijd.

Naast bovenstaande randvoorwaarden is ook gewezen op de rol van bestuur en schoolleiding. Het bestuur moet - zoals gezegd - de focus bepalen en vervolgens die focus bewaken, structureel investeren in die focus en de voortgang volgen. De schoolleider zal onderwijskundig leiderschap moeten tonen. In de ogen van de gespreksdeelnemers is niet ieder bestuur en iedere schoolleider in staat goed invulling te geven aan die rol. Investeren in de kwaliteit van bestuur en management is daarom ook nodig. In de volgende paragrafen wordt op dat thema ingegaan.

Investeer in gereedschap en ondersteuning
Zoals gezegd hebben leraren behoefte aan materiaal, methodieken, gereedschap waarmee ze morgen aan het werk kunnen. Door de deelnemers zijn verschillende mogelijkheden genoemd:

- Verzamelen, verspreiden en implementeren van methodieken waarvan bekend is dat ze succesvol zijn. In dit kader werd gewezen op de leesinterventieaanpak van Lisbo en LIN.

- Investeer, bijvoorbeeld via diepteprojecten, in nieuwe methodieken op gebieden waar er nog weinig of niets is.

- Zorg voor bruikbare instrumenten voor datafeedback. Leraren maken nog veel te weinig gebruik van gegevens uit een leerlingvolgsysteem om hun eigen instructie mee te verbeteren. Op dat punt valt winst te halen. Goed en eenvoudig bruikbaar gereedschap stimuleert dit.


Ook de ondersteuning moet goed zijn. De vorm van de ondersteuning kan heel divers zijn. Belangrijk is dat:

- Leraren ondersteund en geschoold worden op het werk in de klas. Er is op dit gebied wel expertise beschikbaar in de markt, maar de inschatting van de gespreksdeelnemers is dat de ondersteuning veel meer dan tot nu toe direct gericht moeten zijn op instructiegedrag en klassenmanagement. Dat vraagt om een investering in de educatieve infrastructuur.

- Leraren en scholen uit hun isolement worden gehaald. De ogen van mensen moeten open gaan. Dat kan door studiedagen waar expertise wordt ingevlogen, dat kan door te kijken bij andere scholen. Scholen moeten uit het eigen kringetje en leren van en met elkaar en met experts. Maar ook zeker leren van elkaar binnen de grenzen van de eigen school (teamleren)

Schoolleiders
De schoolleider heeft volgens alle deelnemers een belangrijke rol. Ten eerste moet de schoolleider goed op de hoogte zijn van actuele ontwikkelingen in het beleid. Tevens moet de schoolleider kennis hebben op het gebied van schoolontwikkeling. Ook heeft hij of zij als onderwijskundig leider de rol om veranderdruk te creëren in het team. Door het uitdagen tot kritische reflectie op de kwaliteit van het onderwijs kan de schoolleider de noodzakelijke beweging organiseren. Leiderschap en aansturing van verbeterprocessen zijn belangrijke rollen voor de schoolleider. Dit is niet vanzelfsprekend aanwezig bij iedere schoolleider. Het is nodig om te blijven investeren in de schoolleiding. Opgemerkt werd tijdens het gesprek met en tussen coördinatoren en bovenschoolse managers en bestuurders dat vooral ‘oudere schoolleiders’ een risico vormen. Bovenschoolse functionarissen hebben vaak moeite om deze groep schoolleiders te bereiken en aan zich te binden. Dat komt in hun ogen de mogelijkheden om op bestuurlijk niveau verbeterprocessen in gang te zetten niet ten goede.

Bestuurders
Tijdens het gesprek met coördinatoren, bovenschoolse managers en bestuurders is er uitgebreid stilgestaan bij de rol van deze actoren en de bestuurlijke context waarin ze werken:

- Om te beginnen werd vastgesteld dat ook bovenschoolse bestuurders, managers en coördinatoren niet altijd op de hoogte zijn van ontwikkelingen in het beleid. Het is zaak dat zij goed geïnformeerd worden en goed geïnformeerd willen zijn.

- Daarnaast zullen de bovenschools verantwoordelijken goed zicht moeten hebben op de kwaliteit van hun scholen. Op dit punt zijn al stevige slagen gemaakt. Alle deelnemers geven aan dat hun kwaliteitszorg in de steigers staat en dat ze een goed beeld hebben van de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen. Dat neemt niet weg dat de deelnemers de stelling onderschrijven dat er verbetering mogelijk is van hun kwaliteitszorg, bijvoorbeeld in de vorm van op bestuurlijk niveau georganiseerde zelfevaluatie en visitatie. Ook het zoeken naar en vinden van relevante referentiekaders en normen om de eigen kwaliteit te beoordelen hebben nog niet tot optimaal resultaat geleid. Het punt van het bepalen van normen voor de eigen kwaliteit is een belangrijke verantwoordelijkheid voor bovenschoolse bestuurders en managers. En daar valt veel winst te halen.

- Ook is het de taak van bestuurders om de kwaliteit van het onderwijs duurzaam te verankeren in het eigen beleid en de eigen organisatie. Net als de overheid hebben bestuurders de neiging in projecten te denken en te werken. Dat kan leiden tot fragmentatie en korte termijn-acties. Besturen moeten pro-actief zijn, focussen op langdurige ontwikkelingen en daar ook op investeren vanuit eigen middelen. Impulsen van de overheid zijn welkom, maar de basis voor dit meerjarige vernieuwingsbeleid komt uit de organisatie zelf. Ter illustratie werd het volgende voorbeeld gegeven: Een bestuur moet zelf vaststellen wat de kwaliteit van het leesonderwijs is en zelf een norm formuleren (bijvoorbeeld dat tenminste 95% van alle leerlingen op AVI-9 niveau moet kunnen lezen aan het einde van groep 5). Zo’n norm stel je op met je schoolleiders en je teams. Vervolgens ga je kijken met je scholen wat er nodig is om te voldoen aan de norm. Dat vraagt een investering. Dat hoort bij de basiskwaliteit die je moet leveren en zal een bestuur ook uit de basisfinanciering moeten bekostigen.

- Een en ander wil zeggen dat bestuurders afspraken moeten durven maken met hun schoolleiders en teams en die ook nakomen. Afspraken maken wil niet alleen zeggen dat er afgesproken wordt wat scholen moeten bereiken, maar ook wat scholen nodig hebben om daar te komen. Zo kan er bijvoorbeeld worden afgesproken dat de opbrengsten van het leesonderwijs met twee AVI-niveaus moet verbeteren. Maar daar staat tegenover dat een bestuur dan de taak heeft te investeren in de instructievaardigheid van de leraren. Afspraken zijn in die zin altijd tweezijdig.

- Tot slot zullen ook bestuurders moeten uitgaan van het principe van erkende ongelijkheid. Niet al hun scholen zijn hetzelfde, hebben te maken met dezelfde context en kunnen hetzelfde bereiken. Bestuurders moeten hier rekening mee houden en hun beleid daarop afstemmen. Dit lijkt op een vorm van proportioneel bestuur.

Aangegeven is dat besturen en bovenschoolse managers ruimte moeten krijgen van de overheid om hun rol goed in te vullen. De deelnemers geven aan dat de overheid zich anders op zou moeten stellen. De overheid moet kaders stellen, het ‘wat’ definiëren. Vervolgens zouden besturen een intentieverklaring kunnen tekenen waarmee ze zich committeren en op grond waarvan ze middelen ontvangen. De wijze waarop besturen vervolgens te werk gaan, het ‘hoe’ is aan hen. Daar zou de overheid zich niet mee moeten bemoeien. Uiteraard moeten besturen zich vervolgens verantwoorden over hun opbrengsten. Als ze niet hebben geleverd wat ze hadden beloofd, zouden daar sancties op moeten staan.

Ook wordt aangegeven dat bestuurders aangesproken moeten worden door ouders, schoolleiders en leraren op de vraag naar de inzet van de middelen. Nu is het vaak voor schoolleiding, team en ouders niet duidelijk waar bestuurders op investeren. Dat zou volgens de deelnemende schoolleiders, leraren en interne begeleiders, duidelijker moeten worden.

Een en ander veronderstelt wel voldoende bestuurlijke kwaliteit. De deelnemers hebben een aantal suggesties en randvoorwaarden genoemd. Om te beginnen is een belangrijke randvoorwaarde in de ogen van de deelnemers voldoende schaalgrootte. Met name kleine besturen en vooral één-pitters vormen volgens hen een risico. In hun ogen zijn grotere bestuurlijke eenheden met een bovenschoolse manager of bestuurder een voorwaarde voor het welslagen van het ontwikkelingsproces dat met de kwaliteitsagenda in gang is gezet.

Een tweede randvoorwaarde is dat bestuurders ook kwaliteit leveren. De suggestie is gedaan dat de sector zelf een bestuurlijke norm definieert. Zo’n norm geeft aan wat indicatoren zijn voor goed bestuur en voor goede bestuurders. Vanuit de sector zouden bestuurders aan de hand van deze normen elkaar de maat moeten nemen bijvoorbeeld in de vorm van interbestuurlijke audits.

Ouders
Tijdens de sessie met leraren, interne begeleiders en schoolleiders is kort aandacht besteed aan de ouders. Opgemerkt werd dat de ouders belangrijke partners zijn voor het realiseren van betere opbrengsten van taal, lezen en rekenen. Tegelijkertijd werd aangegeven dat het voor een school niet eenvoudig is om ouders daar een goede rol in te geven. Het is echter sowieso zaak ouders te betrekken. Dat kan op verschillende manieren. Zo is bijvoorbeeld gewezen op het organiseren van cursussen door de school voor ouders op het gebied van het stimuleren van taalontwikkeling thuis. Een ander voorbeeld dat werd gegeven is dat aan ouders wordt gevraagd wat er volgens hen moet verbeteren en hoe het onderwijs aan hun kind volgens hen beter kan.

Inspectie
Tijdens de ronde tafel van leraren, interne begeleiders en schoolleiders is gewezen op de rol van de Inspectie van het Onderwijs. Enerzijds wordt opgemerkt door de deelnemers dat de inspectie scholen en leraren vaak het gevoel geeft dat ze in een keurslijf worden gedwongen. Zo is de perceptie dat een leraar in groep 1 en 2 het in de ogen van de inspecteur alleen goed doet als met methodes wordt gewerkt. Leerlingen kunnen ook leren als je als leraar duidelijke doelen stelt, leerlijnen hanteert en daar de leeromgeving op inricht. Voorgesteld wordt dat de inspectie minder met de eigen bril kijkt en meer aansluit om de manier waarop scholen werken. Anderzijds wordt de inspectie door de deelnemers gezien als een positief drukmiddel om te veranderen. De inspectie constateert, meet en doet uitspraken over de kwaliteit van een school. Voor veel scholen is dit een reden om nog eens goed te kijken naar de punten waar de inspectie kritiek op had en dus naar de kwaliteit van hun onderwijs. Sommige deelnemers stellen voor dat de inspectie kritischer zou moeten zijn op de kwaliteit; men is nu snel tevreden. Ook zou de inspectie uitspraken moeten doen over vervolgstappen die scholen en besturen moeten verbinden aan het inspectierapport. Tot slot werd voorgesteld dat de inspectie gerichter zou moeten kijken naar de mate waarin de kwaliteitsagenda op scholen is gerealiseerd. Op die manier wordt veranderdruk gecreëerd in de richting van de doelstellingen van Scholen voor Morgen.

Opvallend was overigens dat tijdens de sessie met bestuurders en bovenschoolse managers de inspectie niet ter sprake is geweest. In die sessie zaten de deelnemers meer op de lijn dat besturen en scholen veel meer en beter dan nu hun eigen kwaliteit moeten vaststellen en volgen.

OCW
Ook de rol van OCW is tijdens de beide bijeenkomsten aan de orde geweest. Met name coördinatoren en bovenschoolse managers en bestuurders hadden hier opvattingen over.

Ten eerste werd gesproken over de vraag waar OCW zich wel en niet mee bezig zou moeten houden. De opvatting van de deelnemers is dat OCW moet definiëren wat de kwaliteit van het onderwijs moet zijn (het ‘wat’). De vraag naar de manier waarop die kwaliteit wordt gerealiseerd is echter geen zaak van de overheid (het ‘hoe’). Dat is aan de sector, de besturen en de scholen. Voorgesteld werd dat de overheid met de sector of zelfs met individuele besturen convenanten afsluit over de te behalen prestaties. Besturen kunnen vervolgens aan het werk, verantwoorden zich en worden afgerekend op hun gerealiseerde opbrengsten.

Ten tweede werd opgemerkt dat de overheid minder moet denken op de korte termijn. Besturen en scholen krijgen iedere keer weer te maken met eisen die het gevolg zijn van de politieke waan van de dag. Dat leidt af van waar scholen mee bezig zijn, het geeft het gevoel dat er iedere keer weer iets anders moet en het werkt het projectdenken van besturen en scholen in de hand. Dat is niet goed voor de duurzaamheid.

Ten derde werd gesteld dat de overheid zorg moet dragen voor een passende financiering. Nu wordt er te veel gewerkt met projectpotjes. Dat maakt dat veel besturen achter die subsidies aanjagen en hun beleid afstemmen op de subsidiestromen in plaats van op een structurele lijn van verbeteren en vernieuwen. Subsidies hebben het gevaar in zich dat er op scholen tijdelijk wordt gewerkt aan een bepaald thema. Als de subsidie stopt, verdwijnt het thema op scholen van de agenda. Er werd gewezen op het risico van een onderwerp als techniek. Aangegeven werd dat dit een thema is dat er zeker toe doet, maar dat het risico loopt van de agenda te verdwijnen als de subsidies stoppen. In dit kader merkten de bestuurders op dat impulsbudgetten zeker een bijdrage kunnen leveren, mits zij ingebed zijn in de focus en de duurzaamheid van verbeterprocessen. De deelnemers gaven aan dat vernieuwing en verbetering een reguliere taak is en dat die bekostigd moet worden uit de reguliere middelen. Een bepaald deel van de middelen zou hiervoor kunnen worden ingezet. Denkbaar is om daar een norm (benchmark) voor af te spreken en daarop toe te zien.

Tot slot is gewezen op het feit dat de overheid de ondergrens moet bewaken. Dat betekent dat ze via de sectororganisatie de zeer zwakke scholen en de scholen die dat dreigen te worden moet aanspreken en de opdracht moet geven te verbeteren.

Projectbureau Kwaliteit! (PK!)
Tijdens beide sessies is de deelnemers gevraagd naar wat volgens hen de rol van het PK! moet zijn. Een en ander heeft de volgende suggesties en opvattingen opgeleverd:

Communicatie
Het PK! heeft een belangrijke rol in de communicatie naar leraren, schoolleiders en bestuurders. De deelnemers hebben het gevoel dat het moment goed is voor de boodschap van de kwaliteitsagenda. Het PK! zou een collectieve agenda voor het primair onderwijs kunnen ontwikkelen gebaseerd op Scholen voor Morgen. Dat veronderstelt een brede scope, een positief kritisch verhaal waarbij wordt ingezet op de mogelijkheden en kansen die er zijn, op de continuïteit en op het aanspreken op de eigen verantwoordelijkheid van besturen, schoolleiders en leraren. Dat kan op verschillende manieren. Voorbeelden die zijn genoemd:

-        ‘fysieke vormen’:
o        landelijke en regionale conferenties
o        bestaande dagen zoals De Dag van de Leraar
o        bestaande structuren zoals samenwerkingsverbanden en gemeenten
o        bestaande netwerken van interne begeleiders, schoolleiders en bestuurders
o        beroepsverenigingen en onderwijsorganisaties
o        bezoeken op locatie
o        opzet en faciliteren van kenniskringen
o        de inzet van gangmakers en lokale ambassadeurs

-        ‘schriftelijk of digitaal’:
o        nieuwsbrieven
o        website en e-zines
o        webbased community´s
o        www.lerarentv.nlof www.teacherstv.nl


Kennis verzamelen en verspreiden
Volgens de deelnemers heeft het PK! een belangrijke rol in het verzamelen, ontsluiten en verspreiden van kennis. Het gaat dan vooral om kennis die gericht is op het onderwijsleerproces in de klas. Het accent moet niet liggen op verzinnen van nieuwe dingen, maar op het verzamelen en trechteren van wat er al is en waarvan we weten dat het werkt. Het PK! zou zich daarbij vooral moeten richten op wat werkt in de klas en moeten investeren in het concreet maken voor leraren, zodat zij het kunnen gebruiken. In het verlengde van die taak zou het PK! de educatieve infrastructuur kunnen betrekken om er voor te zorgen dat zij op een gedegen manier die kennis vertalen en toepassen op de scholen.

Makelen en schakelen
Het PK! kan dienen als makelaar tussen de experts en de besturen (in een regio), zodat de onderwijspraktijk met erkende expertise in contact wordt gebracht. Het PK! kan kijk-/leerscholen opzetten zodat scholen gericht bij elkaar kunnen kijken en van elkaar kunnen leren.

Geen isolement
Scholen die te veel in isolement werken lopen een risico volgens de deelnemers. Kleine scholen en één-pitters zijn volgens de deelnemers zo’n risicogroep. Het PK! kan activiteiten opstarten om scholen uit hun isolement te halen. Dit kan door scholen te laten leren van en met elkaar. Vormen die zijn genoemd zijn kijk- en leerscholen, regionale netwerken, gezamenlijke scholingstrajecten en studiedagen door experts.

Welke scholen
De deelnemers hebben uitspraken gedaan over de vraag op welke scholen het PK! zich zou moeten richten. De opvattingen liepen uiteen van deelnemers die vonden dat het PK! vooral de zeer zwakke scholen en de scholen die zeer zwak dreigen te worden, moet ondersteunen. Het accent lag op ‘closing the gap’. Daar tegenover stonden deelnemers die van mening waren dat PK! alle scholen zou moeten betrekken. Bij hen lag het accent op ‘raising the bar’.
© PO-Raad / Projectbureau Kwaliteit | Disclaimer | Contact